De relatie tussen broers en zussen is erg belangrijk. Het is een relatie die ‘levenslang’ is en een significante invloed heeft op de ontwikkeling van broers en zussen. Een kind binnen een gezin met een chronische ziekte, handicap of psychische stoornis heeft een grote invloed op de broers en zussen (ook wel brussen genoemd).
Kinderen met een ‘bijzondere’ broer of zus kunnen te maken krijgen met heel diverse problemen. Dit is afhankelijk van de thuissituatie en het karakter van het kind. Een tekort aan aandacht is een veel voorkomend probleem. Broers en zussen passen zich bovendien vaak (te veel) aan, wat weer tot andere problemen kan leiden. De speciale thuissituatie kan diverse negatieve gevoelens oproepen bij de kinderen. Boosheid en frustratie komen veel voor. Door schaamte en onbegrip praten de meeste broers en zussen nauwelijks over de situatie thuis, hetgeen kan leiden tot eenzaamheid. Broers en zussen hebben vaak moeite deze en andere gevoelens te accepteren en te uiten.
Om problemen in de ontwikkeling van broers en zussen te voorkomen, is extra aandacht nodig voor deze groep. Broers en zussen zelf kunnen in een aantal sessies vaardigheden oefenen, zoals stilstaan bij gevoelens, praten over de ‘bijzondere’ broer of zus, opkomen voor zichzelf en aandacht vragen. Ook kunnen broers en zussen psycho-educatie krijgen, herkenning en erkenning vinden en ruimte krijgen voor de eigen beleving. Hiermee kunnen blokkades voor het accepteren van eigen gevoelens worden weggenomen. Ook gevoelens van onzekerheid, eenzaamheid en onwetendheid kunnen hierdoor verminderd worden.
Het doel van de groepstherapie is problemen in de ontwikkeling van broers en zussen van kinderen met een ziekte, handicap of stoornis te voorkomen en de draagkracht van deze kinderen te vergroten.
Subdoelen zijn:
  • Doorbreken van het isolement; broers en zussen laten ervaren dat ze niet de enige zijn;
  • Versterken van vaardigheden, op het gebied van;
    - Het herkennen en hanteren van eigen grenzen;
    - Het onderkennen en serieus nemen en uiten van gevoelens;
    - Het opkomen voor zichzelf;
    - Het vragen en ontvangen van steun uit de omgeving.

Dit houdt in dat zowel kinderen met een broer of zus met een handicap of chronische ziekte als ook kinderen met een broer of zus met een psychische stoornis mee kunnen doen. Er wordt gefocust op de overeenkomsten die er zijn tussen kinderen ongeacht de stoornis, ziekte of handicap van hun broer of zus.
Bij het samenstellen van een gemengde groep is het wel belangrijk dat het doel haalbaar is. Dit wil zeggen dat kinderen zich moeten kunnen herkennen in de verhalen en ervaringen van elkaar. Wanneer er in een groep bijvoorbeeld vijf kinderen zitten met een broer of zus met een autistische stoornis en één kind met een broer of zus met een chronische ziekte dan zal er te weinig herkenning kunnen zijn. Voldoende diversiteit binnen de groep is dus van belang.
De cursus bevat acht sessies alsmede twee ouderavonden. Eén ouderavond vindt plaats voor de start van de cursus (uitleg van de rationale), de andere aan het eind van de cursus. Voor de start van de cursus wordt er met elk kind en zijn of haar ouder(s) een intakegesprek gevoerd. De sessies zijn wekelijks (met uitzondering van de schoolvakanties) en duren anderhalf uur.
Gezien de opbouw van de sessies is het wenselijk dat de kinderen in principe alle bijeenkomsten bijwonen. Elke bijeenkomst kent een vaste opbouw van programmaonderdelen. Dit zorgt voor duidelijkheid bij de deelnemers. Binnen een bijeenkomst worden verschillende werkvormen met elkaar afgewisseld.
Na twee tot drie maanden wordt er een terugkombijeenkomst gehouden worden, waarin besproken wordt in hoeverre veranderingen hebben plaatsgevonden bij de deelnemers. Na afloop van de cursus wordt deze geëvalueerd met de kinderen. Kinderen en ouders vullen daarvoor een evaluatieformulier in.